Category Archives: fictie

Stijn Streuvels

stijn_streuvelsHet was een koude tocht, en de slechtste tijd van het jaar voor een reis, voor zulk een verre reis.”

De trip doorheen Zuid-Amerika waaraan ik een maand en een half geleden begon is allesbehalve een koude tocht. Terwijl het weer in België alle kanten uit pingpongt kneep uw dienaar er even van tussen. Maar aan alle mooie liedjes komt een eind.

LijsternestSoms, heel soms, om gewoon een nieuwe riedel aan te vangen. In die zin gaat het op maandag 15 februari rechtstreeks van Zaventem naar Ingooigem. Dankzij Passaporta verblijf ik twee weken lang in het Lijsternest, het voormalige woonhuis van Stijn Streuvels. In één zucht van de pampa’s van Patagonië naar de kleitkoppen van West-Vlaanderen. Het programma bestaat erin me te verdiepen in het werk van de Vlaamse schrijver, maar ook om zelf aan de weg te timmeren. Project X, zeg maar. Watch this space…

1 Comment

Filed under boeken, Books, culture, fictie, Thriller

Op de perma: De avond-uren van Gerard. Part III

Mei 1999 (EOOS magazine jaargang 98-99 nr. 6)

Op de perma: De avond-uren van Gerard. Part III

Aangekomen op de vreemde planeet was Gerard’s bewustzijn overgeheveld naar een van de bewoners van een voor-technologisch dorpje aan de rand van de super-oceaan. Hij vond zichzelf aan de teugels van een lastdier dat spontaan halt hield voor een afgelegen hutje aan de rand van het dorp. Het laatste wat Gerard zich herinnerde was de glimmende bol bol die hem in Ontario, Canada had opgezogen en mee had gevoerd naar een ver sterrestelsel in de Andromedanevel. Doch de bevreemding die hij ervoer bij deze geestestransplanrtatie werd getemperd door het bewustzijn van zijn gastheer dat nog steeds actief was en als het ware een instinctieve leidraad vormde bij zijn bezoek aan deze zonderlinge wereld. Waarom het ruimteschip hem had afgezet in deze uithoek van het heelal, wie de persoon was wiens lichaam hij nu deelde of wat er met zijn vorig lichaam was gebeurd was hem een raadsel. De omgeving kwam evenwel vertrouwd over en de hut waar hij voor stond was ongetwijfeld zijn thuis, althans van de man wiens lijf hij bezet hield Een lichtgrijze rookpluim woei uit elkaar door de stevige bries die was komen opzetten. In de verte kon Gerard de woeste kolken van de super-oceaan horen inbeuken op de gigantische rotsachtige afgrond die het land scheidde van het water. Hij schoof het rieten voorhangsel van de hut opzij en stapte naar binnen. Een grote koperen ketel hing boven het vuur te pruttelen en op een koffer in het midden van de kamer lagen drie tinnen schotels en enkele houten lepels. Aan de wand hingen grote glimmende schilden en enkele dofgekleurde bollen lagen in een hoek van de ruimte. Doch in en rond het bouwsel geen levende ziel te bespeuren.

Terug buiten gekomen zag Gerard vanuit het dorp een man paniekerig roepend op hem toelopen. “Yargl Yarg!” De aangename klank van dit woord deed Gerard meteen beseffen dat dit de naam was van zijn gastheer, de naam die hij voor dee duur van zijn verblijf op deze planeet zelf moest aannemen, hoelang dat ook mocht duren. Terwijl de man dichterbij kwam en diens gelaat zichtbaar werd schoot de naam Vens door Gerard’s hoofd. “Ze hebben, Ze…” nog buiten adem deed deze zijn dramatische verhaal. Nog geen uur geleden waren ze gekomen. Ze -Vens wist ook niet goed wie ze waren, de dorpsoudsten noemden hen de Hoogen- hadden hun schepen neergezet op de vlakte buiten het dorp en iedereen meegenomen. Ook Yarg’s eergenote en dochter waren met de Hoogen verdwenen in de kolossale schepen die vervolgens waren vertrokken in de richting van de derde maancirkel. De weinigen die weerstand hadden geboden waren verpulverd. Vens, die op het moment van de landing geurappels aan het plukken was in de hoge geurbomen op de vlakte had zich daar verborgen kunnen houden. Het was bekend dat het zoeksignaal van de oorsondes, waar iedereen mee uitgerust was, verloren ging door het natuurlijke elektrostatische veld van de geurbomen.

Maar hoe ben jij ontsnapt aan de Hoogemannen, Yarg? Zat je ook in de geurbomen?”

Een rilling trok door Gerard’s lichaam bij het aanhoren van die naam, Hoogemannen. Woede en haat welde in hem op en hij kon zich nog maar net inhouden om een kreet te slaken. “lk weet het niet goed, ik was buiten het dorp en.” Gerard zag een grijs technologisch voorwerp in, het linkeroor van Vens en voelde instinctief aan zijn eigen oor. Een blik van totale verstomming trok over Vens’ gelaat, daarna totale extase. “Je oorsonde, Yarg, je oorsonde,… weg! Je bent vrij! Hoe heb je, wat…, als ze je vinden word je verpulverd Yarg!”

Gerard sloeg de blik naar beneden en zijn gedachten dreven naar de wrange hartleemte die hij voelde. Hij moest en zou ze terugvinden, zijn eergenote Haganne en zijn dochtertje Mokai. Hun namen waren komen opdoemen uit Yarg’s onderbewuste en ze stonden nu gegrift in Gerard’s bewustzijn hoewel ook een deel daarvan toebehoorde aan Yarg.

Zonder nadenken ging hij naar de hut en name het schild, dat veel lichter was dan zijn metaalkleur deed vermoeden, een van de wapenbollen die hij aan zijn riem bevestigde. “Ik ga naar de derde maanschijf, Vens! Ons wat ons toekomt!”

Dood aan de Hoogen,” schreeuwde Vens nu met een stem die zowel vastberadenheid als een vleugje waanzin deed vermoeden.

Gerard had deze jongeman tot op deze dag nog nooit gezien maar Yarg kende hem al zijn hele leven en bij elke keer dat deze de naam Yarg uitsprak begon Gerard ook in gedachten steeds meer die naam aan te nemen.

Bij valavond togen beide op weg naar de stad Veil waar zich de enige Al-haven van de planeet bevond en die Vens alleen kende van verhalen uit de tijd van de Maeren, die duizenden jaren geleden van de West-ster waren gekomen en die de mensen de geheimen van de Al-vaart hadden geleerd. Veil was nu in handen van de Hoogen maar het was de enige weg waarlangs ze de derde maanschijf konden bereiken waar hun mensen gevangen werden gehouden. Deze stad lag volgens de vertelsels in het centrum van het enige continent van deze planeet, door de locale bevolking Blarr genoemd, waar de zon ongenadig was en het voedsel schaars. De nachthemel van Blarr was ongewoon helder verlicht door de vier manen die om de beurt per twee hun vaaloranje schijn op het landoppervlak wierpen. Eenmaal voorbij de grasvlakte liepen Yarg en Vens het niemandsland in waar ze onopgemerkt hoopten te blijven in de schaduw van grillige rotsformaties die her en der verspreid het landschap sierden. De tocht verliep voorspoedig in de koelte van de nacht en de verzengende dagen werden doorgebracht in uithollingen van rotsen waar het dodelijke zonnevuur geen vat op had. Het proviand aan water en voedsel waar Vens voor had gezorgd bleek meer dan voldoende voor de lange tocht. Slechts een keer verschenen er Hoogejagers die met hun oranje kleur nauwelijks opvielen in het maanlicht en al evenmin door hun geluid dat slechts met moeite te onderscheiden was van het gefluister van de wind die ‘s nachts de rotsen streelde met verse zeelucht maar overdag verstomde als neergeslagen door de geelvurige zon. De jagers kwamen uit de richting van een van de kustdorpen en vlogen naar Veil zoals gewoonlijk in een groep van vier waarvan er een cirkels beschreef rond de langgerekte formatie. De laatste etappe van de tocht ging over een hoge heuvelrug waar slechts een toevallige cactus enige afwisseling bracht in de dorbruine flanken. Het was nacht toen Yarg en Vens de top bereikten. Venz zeeg in elkaar bij wat hij zag, kon zijn verstomming nauwelijks de baas. Yarg kon al evenmin geloven wat hij zag. Het was alsof…

To be continued

Leave a comment

Filed under fictie

Op de perma, de avond-uren van Gerard

februari 1999 (EOOS magazine jaargang 98-99 nr. 4)

Op de perma, de avond-uren van Gerard.

Het was nog steeds Dinsdag. Susan Vega speelde een liedje op de nagelnieuwe radio. Gerard herinnerde zich nog goed hoe de vermolmde deur achter zich dichtsloeg, wat logisch was aangezien het nog maar net was gebeurd. Zijn geest kraakte in al zijn geledingen en kronkels bij het verwerken van wat hij zag; sensorische data waar Gerard niet meteen blijf mee wist. Niet dat er zich zulke ongelooflijke taferelen afspeelden op zijn netvlies of dat er een loopje werd genomen met de heersende natuurwetten, neen, Gerard was gewoon nog nooit in Ontario geweest. Zo moest Champlain zich gevoeld hebben toen hij in 1615 Ontario ontdekte op last van de Fransen, dacht hij nog bij zichzelf. Niet dat hij zulke dingen wist maar er waren die dag al zoveel vreemde dingen gebeurd dat hij niet meteen versteld stond van de encyclopedische kennis die zich nu aan hem opdrong. Het overweldigende besef welde in hem op dat vier van de vijf grote Amerikaanse meren zich hier in Ontario bevonden. Het Bovenmeer, het Huronmeer, het Eriemeer, het Ontariomeer, Lake of the Woods, Rainy Lake, het Saint Clair, ze waren er allemaal. Hij zag er nu de po€etische rechtvaardigheid van in, maar alleen hij. Er was trouwens niemand om te delen in die ironie, hij was moederziel alleen. Ottawa, Hamilton, Saint Catharines, het waren allemaal dodensteden en geen levende ziel behuisde hun contouren.

Gerard zakte door de knieen en stootte zijn gebalde wisten in het mos dat aan de rand van het Ontario Meer doordrongen was van het brakke water dat er al sinds eeuwen geleidelijk in- en uitvloeide. Hij snoof de zilte lucht op om te schreeuwen maar hield zich in. Een erfelijke angst voor sneeuwlawines hield hem tegen. De afwezigheid van ook maar een molshoop in de verste verten maakte die angst er niet minder re€el op. Deze fobie was zo’n honderd jaar geleden de familie ingeslopen via zijn overgrootvader aan moeders kant Claus Badenbaden die in zijn tijd een skilift uitbaatte in Wurtenberg. Een fris briesje kwam opzetten. Gerard ging op zijn benen staan en voelde zijn nochtans erg korte haren wapperen, nog meer in de wind dan gewoonlijk. Met opgeheven tronie begon hij in willekeurige richting te stappen. Het was al voorbij middernacht maar dankzij het tijdsverschil bleef het nog wel een tijdje licht. Desalniettemin doemde er een nachtelijke mist op vanuit het meer die het omliggende landschap voorzag van een ragfijn waas van mysterie.

De zompige ondergrond tekende Gerard’s voetsporen af in een cirkelende beweging rondom het meer. Af en toe keek-ie op naar de ovale maan om zich te vergewissen van de richting. Gerard was er de man niet naar om zich uit zijn lood te laten slaan door het ovaal zijn van die maan; “vorm is niet belangrijk, het is de inhoud die telt” maakte hij zichzelf wijs, hiermee de waanzin afwerend die zich bij de volle aanvaarding van dit markante feit zou aandienen. Gerard speurde het zodiak af op zoek naar andere herkenningspunten die geen give-or-take interpretatie waren van de dingen die hij sinds jaar en dag wist.

Een helwitte lichtflits kleurde de horizon en ging vergezeld van een ietwat amateuristisch gerommel dat moest doorgaan voor een zware explosie. De watervogels in het riet waren blijkbaar beter gewoon en gingen onverstoord verder met het plukken en schikken van veren, het herstellen van nesten en het leggen van eieren. Slechts enkelen hadden enigszins geiriteerd opgekeken wanneer Gerard voorbij slenterde, op zijn eigen komieke manier afgeremd door het verzadigde mos aan de waterkant. Ongeveer vijf minuten na de ontploffing vulde de lucht zich met een vreemd, onaards gezoem dat terwille van de stijgende spanningslijn toenam in volume en intensiteit. Vanuit het niets kwam een glimmende metaalkleurige bol aangedreven en bleef zo’n drie meter boven zijn hoofd stil hangen. Het gezoem stierf weg.

Een blauwachtige trilling van de lucht golfde vanuit de bol naar beneden in de vorm van een afgeknotte kegel waarvan Gerard onmogelijk het volume had kunnen berekenen. Zijn hoofd stond er op dat moment niet naar. Gerard’s eigen morfogenetische veld werd zichtbaar en dwarrelde als een hoop debiele sneeuwvlokjes naar boven. Een zwart trapeziumvormig oppervlak aan de onderkant van de bol magnetiseerde de kleine energiepakketjes en sloot zich nadat het laatste stukje informatie was opgeslagen. Alles wat Gerard was en wist was deel geworden van het vreemde tuig.

Doorheen de facet-vormige cameraatjes zag Gerard hoe het mos en het meer onder hem weg deemsterden en hoe langzaam alle meren en tenslotte ook de oceanen zichtbaar werden.

Eenmaal buiten de dampkring nam de snelheid van de bol toe om dan rakelings langs de maan het zonnestelsel te verlaten. De maan had terug zijn vertrouwde vorm aangenomen en Gerard besefte dat een atmosferische storing de oorzaak was geweest van zijn eenmalige illusie. Talloze verlaten en half-afgewerkte tuigen hingen desolaat boven het onverlichte deel van de maan waar enkele grote antennes het traject van de bol uitstippelden vlak voordat het ding wegschoot. Einstein had er flink naast gezeten met zijn stelling dat niets de lichtsnelheid kon overtreffen. Als een foto die te lang belicht is schoten sterren en supernovae voorbij om heel even bij de Andromeda-nevel te pauzeren voor een kop koffie en twee boterhammen met kaas en er daarna weer als een gek vandoor te gaan. De glimmend-grijze bol, die tijdens de reis systematisch alle kleuren van het spectrum doorlopen had, hield tenslotte stil bij een niet bijster opvallend heldere ster van de Pleiaden.

Drie van de acht aanwezige planeten beschreven een min of meer elliptische baan rond deze zon. De anderen waren toevallige voorbijgangers, verstoten overblijfselen van de big bang, ingevangen door een gretig zwaartekrachtsveld. De bol koos de middelste van de elliptische planeten uit en gierde omlaag naar het enige supercontinent dat uitrees boven de kolkende superoceaan.

Een lichtflits verscheen aan de horizon waarna een gekunsteld gerommel uit deinde over de aangrenzende gebieden. Een ruw behouwen man fronste de wenkbrauwen en maande zijn lastdier aan tot spoed om voor het onweer in het dorp te zijn. In de verte kon hij de rook al zien die omhoog kringelde uit een van de schoorstenen…

To be continued…

Leave a comment

Filed under fictie

Op de perma…

December 1998 (EOOS magazine jaargang 98-99 nr. 3)

Op de perma…

Het was een dag als geen ander, sterker nog, het was reeds avond. Kruipende wolken uit een of andere pokdalige zee hingen mistroostig over de al even pokdalige straat waarlangs Gerard zich begaf naar die plaats waarover hij al zoveel had horen vertellen. Hij had zichzelf altijd al iets van een ontdekkingsreiziger aangemeten, een waas van avontuurlijkheid die al vanaf zijn geboorte sluimerend aanwezig was geweest maar die hij vanaf zijn achtste had onderdrukt. Neen, die dag in het overdekte winkelcentrum zou hij nooit meer vergeten.

Behoedzaam doch met onnozele tred stak hij het kruispunt over waar net nog een Mitsubishi Space Fuck had gereden of iets dergelijks. Hij was niet zo goed in het onthouden van die Japanse autonamen. Terwijl hij nog snel een serieuze neuspiet te grazen nam om deze vervolgens weg te smijten met de triomf en vermetelheid van een gevechtspiloot die zijn 23ste Jap neerhaalt, slaakte hij een zucht en sloeg zijn blik op naar de deur van de trappenhal. Het was een deur als geen ander, sterker nog, het waren twee deuren, houten deuren dat stond wel buiten kijf. Dat wist hij nog van de tijd dat hij opa wel eens ging helpen bij de oude schrijnwerkerij in zijn geboortedorp.

“De klootzak” dacht hij nog toen hij zijn orthopedische schoenen hoorde kraken op de vermolmde plankenvloer die enigszins symbolisch mee veerde onder zijn te verwaarlozen gewicht. Hij stond daar overigens niet volkomen gespeend van enig angstgevoel daar zijn familie zich al sinds generaties geplaagd wist van een soort erfelijke plankenkoorts waardoor opa uiteindelijk de schrijnwerkerij had moeten opgeven.

Gerustgesteld door het feit dat er niets gebeurde yatte hij de spreekwoordelijke koe bij de horens en zette zijn epische tocht verder. “To boldly go where Gerard has never gone before,” grinnikte hij, niet bepaald ontevreden met de souplesse waarmee deze trouvaille de weg naar zijn cognitieve bewustzijn had gevonden. De trap die voor hem stond had nog altijd geen enkele van zijn treden prijsgegeven en leek zelfs met een zweem van minachting op hem neer te kijken, sterker nog, hem uit te lachen. Hij was trouwens van hout, die trap, dat stond wel als een paal boven brak water. Gerard hief zijn linkervoet van de grond en begon met de beweging waarnaar wel eens nonchalant gerefereerd wordt als ‘het oplopen van een trap’. Zorgvuldig elke spier van zijn lichaam coordinerend en schichtiger om zich heen kijkend dan een cycloop die Odysseus in de smiezen heeft, ging hij verder omhoog langs het getekende houtwerk. Getekend, eerst door het potlood van een bimenhuis-architect en later door tienduizenden voetstappen en jaren van trieste verwaarlozing.

Niets leek Gerard nog te kunnen stoppen, zelfs niet de gruwelijke wraak van een lamlendige trap waarin de geest van een of ander vervloekt woud nog verder leefde. Gierend van de asthma hield hij zich overeind aan de leuning, de spijlen van dewelke leken los te komen om zich vervolgens vervaarlijk sissend rond Gerards benen te strengelen zoals ze dat ooit een klimop hadden zien doen.

De houten slangen zetten hun kwaadaardige vlechtwerk verder terwijl Gerard’s bewustzijn zich gradueel verwijderde van het gebeuren alsof een of ander halocinogeen zijn wezen had beroerd. Zijn gewaarwordingen dreven alle kanten uit en maakte hem lichter dan de eerste de beste supernova. “In your face, zwaartekracht!” dacht hij nog smalend terwijl het hele universum in een spiraalnevel rond hem cirkelde. Hij zou voor voor minder in zijn broek geplast hebben, maar dat leek nu van ondergeschikt belang. Opgezogen door een gigantisch digitaal quartz horloge, zijn eigen ruimtelijke contingentie verliezend, zag hij de inter-dimensionele wendingen van het tijdsweefsel vervagen tot eenn homogene pap die uitcrystaliseerde tot een overzichtelijk lijnenspel van verraderlijke eenvoud. Hijzelf was een van de draden die zich vanuit een vreemdsoortige blob uitstrekte tot een telepathische kolk waarin het geheel een werd met het alles en met zichzelf.

Het heelal was noch statisch, noch uitdijend, maar chaos, ultieme chaos. Maar het was een vriendelijke chaos, het soort chaos dat je uitnodigt op de koffie en dan al je tassen op de grond zwikt waarop je besluit dat het maar beter is zo omdat die kopjes toch te lelijk waren om in te kakken. Het soort chaos dat dwangbuizen opensnijdt en je toestaat ook eens te gaan kijken in de volgende kamer, en die daarna en die Gerard momenteel tot in de buitenlucht had gezogen. Buitenlucht die zijn hele lijf de benodigde zuurstof gaf om te kunnen beseffen dat hij er geen snars, maar dan ook echt geen jota van begreep. Het eigenste moment dat dit besef aanbracht, kondigde meteen ook het einde aan van zijn kosmische rondleiding. Het eens zo sierlijke lijnenspel rolde zich op als de snorharen van een kat die bezig is een ongezonde fascinatie te onderhouden voor het fornuis. De majestueuze krommingen en het helblauwe omspansel golfden als een soort ultieme eindkrak op Gerard toe wiens bewustzijn met orkaankracht op zichzelf terug plooide, schijnbaar gelijktijdig met de rest van de hele zwik. Op het moment dat alles, maar dan ook alles convergeerde in Gerards aarshol, vond hij zichzelf aan de muur genageld, de ogen wijd opengesperd vanwege een spastische kramp, die hem nog zeker vijfentwintig minuten deed nazinderen vooraleer hij zich rekenschap kon geven van zijn toestand.

Het was nog steeds dinsdag en hij bevond zich nog steeds in die vervloekte trappenhal maar met een klein verschil; op een of andere manier had hij de hele weg naar boven afgelegd en lag hij daar nu uitgeteld op de tweede verdieping met rechts van hem een omineus aandoende deur waarlangs allerhande vreemdsoortig geroezemoes zijn weg naar buiten zocht. Deze krakkemikkige afsluiting -een ware aanfluiting van elk esthetisch normbesef- die via oubollige hengsels met de deurstijlen verbonden was gaf onder de afbladerende groene verf zijn ware aard prijs. “Hout! Dacht ik het niet!”

“Ik val u aan in Ontario!” hoorde hij nu heel duidelijk weerklinken. Met herwonnen moed greep hij wederom de koe bij de horens , maar vooral de deur bij de klink, zwaaide deze open en…

Leave a comment

Filed under fictie, fiction